Bereken je vetpercentage
Deze rekenhulp heeft JavaScript nodig. Staat dat uit, dan staan alle vier de formules verderop nog gewoon op de pagina, met bron en al. Ze zijn met een rekenmachine na te doen. Dat is met opzet.
Jouw vetpercentage volgens de formules
afgerond op hele procenten · één methode, dus geen spreiding om te tonen
| Methode | Vet | Marge (standaardfout) |
|---|
Wat er dan aan vetvrije massa overblijft
De marge in de derde kolom is de standaardfout die elke methode zelf opgeeft, gemeten tegen onderwaterweging.1234 Daar valt ongeveer twee derde van de mensen binnen. De andere derde niet, en aan je eigen getal zie je niet welke van de twee jij bent.
De vier formules staan hieronder uitgeschreven, met de bron erbij. Reken het zelf na.
Kort antwoord
- Hoe reken je je vetpercentage uit?
- Met een formule, en er zijn er vier. Eén werkt met een meetlint, twee met een huidplooitang, en de vierde heeft niets nodig dan je lengte en je gewicht. Drie van de vier geven eerst een lichaamsdichtheid, dus gewicht gedeeld door volume, en die gaat daarna door de vergelijking van Siri.6
- Geven die vier methoden hetzelfde antwoord?
- Nee. Bij een man van 30 jaar, 80 kilo en 1,80 meter komen ze uit op 12 tot 20 procent. Drie zeggen 20, de vierde zegt 12. Dat is 8,2 procentpunt verschil bij één persoon op één middag.
- Hoe nauwkeurig is een vetpercentage uit een formule?
- Drie tot bijna vijf procentpunt marge, per methode. Elke bron geeft zijn eigen standaardfout op, en dat is de marge waarbinnen ongeveer twee derde van de mensen valt. Die marge is 3,3 procentpunt bij Jackson en Pollock, 4,1 bij Deurenberg en 4,8 bij Durnin en Womersley voor vrouwen.124
- Waar heb je dat getal voor nodig?
- Voor je vetvrije massa. Bij diezelfde man is dat 64 tot 70 kilo. De formule van Cunningham op de TDEE-rekenhulp vraagt erom, en op de eiwitrekenhulp rekenen twee van de tien normen per kilo vetvrije massa.
Wat is je vetpercentage?
Je vetpercentage is het deel van je gewicht dat uit vet bestaat. De rest heet vetvrije massa: spier, water, organen, skelet en al het andere bij elkaar.
Aan jou wordt hier niets gemeten en niets gewogen. Vier gepubliceerde formules schatten dat percentage uit maten die je zelf kunt nemen, met een lint of met een tang. Ze zijn het onderling niet eens, en dat verschil is de reden dat ze hier alle vier naast elkaar staan.
Wat je nodig hebt, en wat je er dan voor krijgt
Een meetlint kost bijna niets en zet de omtrekmethode aan. Een huidplooitang levert er twee bij, want beide plooimethoden hebben er een nodig. Heb je geen van beide, dan blijft de BMI-formule over, en die rekent alleen met je lengte, je gewicht en je leeftijd.
Van de vier geeft die formule de grootste standaardfout op: 4,1 procentpunt.4 Hij ziet niet of jij zwaar bent van vet of van spier.4 Dat is de prijs voor het gemak.
De vier methoden, zodat je ze zelf kunt nadoen
Alle vier staan gepubliceerd en zijn met een gewone rekenmachine na te doen. Dat is met opzet. Reken ze na.
Omtrekmethode: Hodgdon en Beckett, 1984
Een meetlint, en verder niets. De vergelijking staat voluit in tabel 2-1 van het Institute of Medicine, met omtrekken en lengte in centimeters.3 Hieronder staat hij zoals wij hem rekenen. Dat is voor mannen letterlijk de afgedrukte regel; bij vrouwen wijkt er één teken af, en waarom staat verderop.
| Wie | Lichaamsdichtheid |
|---|---|
| Man | −0,191 × log10(taille − hals) + 0,155 × log10(lengte) + 1,032 |
| Vrouw | −0,350 × log10(taille + heup − hals) + 0,221 × log10(lengte) + 1,296 |
| De tabel drukt bij vrouwen een plusteken af voor de hals. Zie Een plusteken in de gepubliceerde tabel dat niet uitkomt. | |
In beide regels staat log10 voor de logaritme met grondtal tien, de knop die op je rekenmachine gewoon log heet. De standaardfout is 3,52 procentpunt bij mannen en 3,72 bij vrouwen, gemeten tegen onderwaterweging.3 De vergelijkingen zijn afgeleid op militair personeel en niet op de algemene bevolking.3
Vier huidplooien: Durnin en Womersley, 1974
Vier plooien opgeteld in millimeters: biceps en triceps op de bovenarm, subscapulair onder de punt van het schouderblad, en supra-iliacaal vlak boven de heupkam.1 De vergelijking luidt: dichtheid = c − m × log10(som). De waarden c en m verschillen per geslacht en per leeftijdsband, en de rekenhulp vult ze voor je in.
Afgeleid bij 209 mannen en 272 vrouwen van 16 tot 72 jaar, gemeten in Glasgow.1 De standaardfout staat hier in dichtheid en niet in procenten: 0,0084 bij mannen en 0,0102 bij vrouwen. Omgerekend is dat ongeveer 3,7 en 4,8 procentpunt.
Drie huidplooien: Jackson en Pollock, 1978
Borst, buik en voorkant dij. De vergelijking luidt: dichtheid = 1,1093800 − 0,0008267 × S + 0,0000016 × S² − 0,0002574 × leeftijd.2 Daarin is S de som van de drie plooien in millimeters.
Afgeleid bij 308 mannen en daarna nagemeten bij 95 anderen, allemaal tussen 18 en 61 jaar.2 De standaardfout is 0,0077 in dichtheid, ongeveer 3,3 procentpunt, en dat is de smalste marge van de vier.
BMI-formule: Deurenberg en collega’s, 1991
vetpercentage = 1,20 × BMI + 0,23 × leeftijd − 10,8 × geslacht − 5,4, met 1 voor een man en 0 voor een vrouw.4 BMI staat voor body mass index: je gewicht in kilo’s gedeeld door het kwadraat van je lengte in meters.
Afgeleid bij 1229 mensen in Wageningen, dus als enige van de vier op Nederlanders.4 De standaardfout is 4,1 procentpunt. De auteurs schrijven er zelf bij dat hun formule bij obesitas iets te hoog uitvalt.4
Drie van de vier rekenen geen vet uit, maar dichtheid
Er zit een tussenstap tussen de meting en het percentage, en die staat er zelden bij. De omtrekmethode en de twee plooimethoden voorspellen je lichaamsdichtheid, dus je gewicht gedeeld door je volume. Een vetpercentage is dat nog niet.
Daar gaat een tweede vergelijking overheen, die van Siri: vetpercentage = (4,95 / dichtheid − 4,50) × 100.6 Durnin en Womersley drukken hem voluit af,1 en tabel 2-1 doet dat los daarvan ook.3 De vierde formule slaat die stap over, maar is geijkt tegen waarden die er wel doorheen zijn gegaan.4
Onthoud die tweede stap, want aan het eind van deze pagina komt hij terug.
Wat vier methoden bij dezelfde man opleveren
Neem een man van 30 jaar, 80 kilo en 1,80 meter, met een hals van 38 centimeter en een taille van 90. Vier plooien samen 42 millimeter, drie plooien samen 40.
| Methode | Vetpercentage |
|---|---|
| Omtrek, Hodgdon en Beckett | 20 % |
| Vier plooien, Durnin en Womersley | 20 % |
| BMI, Deurenberg | 20 % |
| Drie plooien, Jackson en Pollock | 12 % |
Drie van de vier komen op 20 procent uit, de vierde op 12. Die band van 12 tot 20 procent is een spreiding van 8,2 procentpunt, en in kilo’s is dat 64 tot 70 kilo vetvrije massa.
Die spreiding is geen ruis die wij hadden moeten wegwerken. Het is de uitkomst.
Waarom hier geen decimaal achter het getal staat
Een uitkomst van 18,4 procent leest alsof die 0,4 iets betekent. Dat doet hij niet.
Een decimaal belooft een tiende procentpunt, en de smalste marge onder deze vier methoden is 3,3 procentpunt.2 Dat is drieëndertig keer zo groot als die belofte. De ruimste marge is 4,8 procentpunt.1
Zo’n standaardfout dekt bovendien ongeveer twee derde van de mensen. De andere derde valt erbuiten, en aan je eigen getal zie je niet welke van de twee jij bent. Daarom ronden wij af op hele procenten.
Twee verschillende tailles, en dat is geen slordigheid
Tabel 2-1 schrijft bij mannen abdomen II en bij vrouwen abdomen I.3 Dat zijn twee plekken op het lichaam, en geen twee namen voor dezelfde plek.
Abdomen II ligt ter hoogte van de navel, abdomen I op het smalste punt tussen ribben en heup.3 Bij de meeste mensen scheelt dat een paar centimeter, en die gaan door een logaritme heen. Daarom verandert het taille-veld hierboven van naam zodra je van geslacht wisselt.
Een plusteken in de gepubliceerde tabel dat niet uitkomt
De vrouwenregel in tabel 2-1 staat afgedrukt met een plusteken voor de hals.3 Nagerekend loopt die regel vast.
Neem een vrouw van 1,68 meter, met taille 75, heup 95 en hals 32, en vul de regel in zoals hij is afgedrukt. Met het plusteken komt de dichtheid op 0,981 en het vetpercentage op 55.
Een dichtheid onder 1,000 betekent dat iemand in water blijft drijven. Onder die dichtheid kan de vergelijking van Siri nooit lager uitkomen dan 45 procent.6
Met het minteken komt dezelfde vrouw op een dichtheid van 1,039 en 26 procent. Wij rekenen met het minteken, en die controle staat vastgelegd in ons testbestand.
Waarom vrouwen drie regels krijgen en mannen vier
Jackson en Pollock leidden hun vergelijking alleen op mannen af, en presenteren hem ook zo.2 Er bestaat een tegenhanger voor vrouwen, van Jackson, Pollock en Ward uit 1980, in Medicine and Science in Sports and Exercise.
Die was op 4 augustus 2026 niet te openen, want de uitgever gaf HTTP 403. De coëfficiënten staan op tientallen rekensites, en daar koop je niks voor: een rekensite is geen bron.
Dus staat die regel hier niet. Mannen krijgen vier methoden, vrouwen drie. Het mannenartikel uit 1978 gaat achtenveertig jaar later gewoon open, het vrouwenartikel uit 1980 niet.
Waarom leeftijd erin zit, en waar de rekenhulp stopt
Drie van de vier formules rekenen met je leeftijd. Bij Durnin en Womersley zit hij in de leeftijdsbanden, bij Jackson en Pollock en bij Deurenberg in de vergelijking zelf.124
Die banden schelen iets. Dezelfde man met dezelfde vier plooien valt op zijn 29e in een andere band dan op zijn 30e, en dat is ruim 3 procentpunt.1
Buiten de leeftijden van een onderzoek rekenen wij niet door: Jackson en Pollock is afgeleid tot 61 jaar en Durnin en Womersley tot 72.12 Boven die grens valt de regel uit de tabel, in plaats van dat hij een getal verzint.
Hier staat geen gezond bereik
Op deze pagina staat met opzet geen tabel met een goed of gezond bereik. Geen van de vier bronnen onder deze rekenhulp geeft er een, en wij verzinnen er geen.1234
“Jouw percentage is goed” is een oordeel en geen rekensom. Wij rekenen uit wat er te berekenen valt en laten het oordeel weg. Wat een getal over iemand zegt, staat in geen van deze vier onderzoeken.
Waar dit getal wél voor dient: je vetvrije massa
Een vetpercentage op zichzelf doet weinig. Wat je eraan hebt is het getal eronder: je gewicht min je vet, oftewel je vetvrije massa. Daarom geeft deze rekenhulp die kilo’s er meteen bij.
Twee andere rekenhulpen op deze site vragen erom. De formule van Cunningham op de TDEE-rekenhulp rekent met vetvrije massa in plaats van met gewicht. En op de eiwitrekenhulp rekenen twee van de tien normen per kilo vetvrije massa.
Let op wat dat doet. Bij de man hierboven loopt de vetvrije massa van 64 tot 70 kilo, en die zes kilo gaan daar rechtstreeks doorheen.
Wat dit getal niet is
Dit getal is geen meting. Het is de uitkomst van formules die op groepen zijn afgeleid, en jij bent geen groep. Wil je het echt weten, dan is er onderwaterweging of een meetcabine, en dat zijn allebei metingen in een lab.
Dit is verder geen medisch advies, en bij twijfel is een arts of diëtist de aangewezen persoon.
Alles hierboven rust op één aanname
Die tweede stap neemt aan dat vet bij iedereen een dichtheid van 0,9 heeft, en de rest van het lichaam 1,10.5 Voor iedereen dezelfde twee getallen, ongeacht wie er op de weegschaal staat.
De spreiding in de dichtheid van vet zelf is kleiner dan 2 procent, dus de zwakke plek zit niet in het vet.5 Hij zit in de aanname over het vetvrije deel, en die is bij iedereen anders.
Dat vier methoden het onderling oneens zijn, is één ding. Dit is het andere. De auteurs van die omrekening, Brozek en collega’s uit 1963, schrijven zelf dat er geen algemeen geldige formules voor deze bepaling te geven zijn. Letterlijk: “It appears that no universally valid formulas for densitometric estimation of the fat content can be offered.”5