Artikelen

Zes vuistregels over eiwitopname, nagerekend

Zes vuistregels over eiwitopname, en wat de onderzoeken eronder werkelijk hebben gemeten. Van 100 gram eiwit kwam in twaalf uur 53 gram in de bloedbaan, van 25 gram 16.

Over eiwit doen zes vuistregels de ronde, en onder elk daarvan ligt een onderzoek. Wij hebben die zes onderzoeken gelezen, van de eerste tabel tot de verklaring onderaan. Wat er gemeten is, is telkens iets anders dan de vuistregel belooft. Bij vier van de zes staat er een bedrijfsnaam in de verklaring, en die hebben wij bij de vraag zelf gezet.

Bekijk de prijs per 100 gram eiwit

Kun je maar 25 gram eiwit per keer opnemen?

Nee. Uit 100 gram eiwit verscheen in twaalf uur 53 gram aan aminozuren in de bloedbaan, uit 25 gram maar 16.1 Aminozuren zijn de bouwstenen waarin eiwit tijdens de vertering uiteenvalt. Bij de grote portie liep de opname na twaalf uur nog door.1

Wat dit niet zegt: dat 100 gram in één keer verstandig is. Gemeten zijn 36 gezonde jonge mannen, één keer, na een krachttraining.1

Waar die 25 gram vandaan komt

Het plafond komt uit onderzoek dat iets anders mat dan opname. Daar ging het om de snelheid waarmee het lichaam nieuw spiereiwit aanmaakt, gemeten over hooguit zes uur, bij porties tot 45 gram.1 Boven ongeveer 20 gram ging die snelheid niet verder omhoog.1 Op die uitkomst rust het advies om per maaltijd niet meer dan 20 tot 25 gram te nemen.1

Een portie kan de aanmaaksnelheid niet verder opjagen en ondertussen uren aminozuren blijven leveren. Dat zijn twee verschillende vragen, en de tweede is later gemeten.

De twee onderzoeken die het plafond hebben neergezet, hebben wij niet zelf kunnen lezen. Ze staan achter een betaalmuur en gaven op 4 augustus 2026 bij de uitgever een foutmelding. Wat hierboven staat is hoe de onderzoekers van bron 1 hun eigen vakgebied samenvatten.1

Het onderzoek dat de opname wel volgde, gaf 36 mannen na een krachttraining 0, 25 of 100 gram melkeiwit.1 Die 100 gram was gekozen als het meeste dat een mens er volgens de onderzoekers in één keer in krijgt.1 Twaalf mannen dronken het op.1

Het eiwit was in de koe zelf gemerkt met een isotoop, een variant van een atoom die een laboratorium er weer uit pikt.1 Daardoor was elk aminozuur uit dat eiwit terug te vinden.1

Van de 25 gram was na 4, 8 en 12 uur respectievelijk 51, 62 en 66 procent in de bloedbaan verschenen.1 Die reeks vlakt af. Van de 100 gram was dat 26, 44 en 53 procent, en die reeks liep aan het eind nog omhoog.1

In spierweefsel was van de 25 gram na twaalf uur 18 procent ingebouwd.1 Van de 100 gram was dat 13 gram, oftewel 13 procent, en die inbouw liep alle twaalf uur vrijwel rechtlijnig door.1

Aan dat onderzoek werkte een auteur mee die in dienst is van FrieslandCampina.1 In de verklaring staat dat het bedrijf geen rol had in de financiering, de gegevens, de analyse of het schrijven.1

Een tweede onderzoek legde 20 gram wei-eiwit naast 40 gram, bij 30 getrainde mannen die allebei de porties kregen.2 De aanmaak van spiereiwit lag op 40 gram ongeveer 20 procent hoger: 0,059 tegen 0,049 procent per uur, met p op 0,005.2 Hoe lager die p, hoe kleiner de kans dat toeval het verschil verklaart.

Dat onderzoek is betaald met een subsidie van GlaxoSmithKline Consumer Healthcare, en een van de auteurs was daar in dienst.2 In dezelfde alinea staat dat geen van de auteurs een belangenconflict had.2

De auteurs wijzen op een verschil met de twee eerdere onderzoeken die tussen 20 en 40 gram niets vonden. Daar trainden de deelnemers alleen hun benen, hier het hele lichaam.2 Hoeveel spier je hebt aangesproken bepaalt dus mede wat een portie nog kan gebruiken.2

Verbrand je de rest gewoon?

Nauwelijks. De verbranding van aminozuren nam wel toe, maar was verwaarloosbaar naast de stijging van de eiwitaanmaak in het hele lichaam.1 De onderzoekers rekenden twee eerdere onderzoeken na en kwamen op minder dan 15 procent van de extra inname.1

Wat dit niet zegt: dat meer eiwit meer oplevert. Dit is één portie, gevolgd over twaalf uur. Geen dag, geen week, geen uitkomst waar je iets voor koopt.1

Wat er met 100 gram gebeurde

De gedachte achter een plafond is dat het overschot wordt verbrand. Dat is te meten, en het is gemeten.

Bij 25 en bij 100 gram nam de verbranding toe. Naast de toename van de aanmaak in het hele lichaam viel die stijging weg.1

De auteurs gingen daarna terug naar twee eerdere onderzoeken die meerdere porties naast elkaar hadden gelegd.1 Zij drukten de verbrandingscijfers daaruit opnieuw uit, als deel van de extra inname.1 Dat kwam uit op minder dan 15 procent, waarmee meer dan 85 procent naar de aanmaak van weefseleiwit ging.1

Wat dit onderzoek niet doet, is een aanbeveling geven. Het meet waar het eiwit blijft, en niet wat iemand er na een half jaar aan overhoudt.1

De auteurs noemen hun eigen getallen een ondergrens, want na twaalf uur liepen verschillende metingen nog.1 Zij schrijven er ook bij dat mensen die minder bewegen of minder gezond zijn wel tegen een plafond kunnen aanlopen.1

Moet je binnen een halfuur na je training eten?

Niet volgens deze cijfers. In 23 onderzoeken met 525 deelnemers verdween het voordeel van eiwit rond de training zodra de totale inname per dag werd meegerekend.3 Dat dagtotaal was in die analyse de sterkste voorspeller.3

Wat dit niet zegt: dat er geen tijdvenster bestaat. De auteurs schrijven dat de controlegroepen te veel uiteenliepen om dat vast te stellen, en houden vier tot zes uur open.3

Wat de correctie deed

Zonder correctie stond er een klein effect op spieromvang: 0,24 met een interval van 0,04 tot 0,44 en p op 0,02.3 Op kracht stond er niets.3

Het volledige model corrigeerde voor trainingservaring, blindering, geslacht, leeftijd, gewicht, duur en totale inname.3 Daar bleef 0,16 over, met een interval van min 0,07 tot 0,38 en p op 0,18. Voor kracht kwam p uit op 0,49.3

In een tweede model bleven alleen de factoren over die er statistisch toe deden.3 Daar was de totale inname per dag de sterkste voorspeller: 0,41 met een interval van 0,14 tot 0,69 en p op 0,004.3

Datzelfde verschil zit in wat de deelnemers aten. In de onderzoeken zonder gelijkgetrokken dagtotaal at de controlegroep gemiddeld 1,33 gram eiwit per kilo per dag, de andere groep 1,66.3

Drie onderzoeken trokken dat dagtotaal wel gelijk. Twee daarvan vonden geen voordeel van timing.3 Drie is te weinig om iets hards te zeggen, en dat schrijven de auteurs zelf ook.3

De onderzoeken zelf waren van behoorlijke kwaliteit, gemiddeld 8,7 op de PEDro-schaal.3 Die schaal is een vaste beoordelingslijst voor de opzet van een trial, en 5 was hier de ondergrens voor opname.3

De analyse is gesteund met een subsidie van Dymatize Nutrition.3 De auteurs verklaren geen concurrerende belangen te hebben.3

Moet je eiwit over de dag verdelen?

De Gezondheidsraad stelt geen norm voor de verdeling over de dag. Zijn advies gaat er niet op in, omdat er nog onvoldoende onderzoek over bestaat.5

Wat dit niet zegt: dat de verdeling niet uitmaakt. Er staat dat de vraag niet is onderzocht, en dat is iets anders dan een antwoord.5

Wat er letterlijk staat

De zin luidt: “Dit advies gaat niet in op de vraag of de verdeling van de eiwitconsumptie over de dag van belang is in relatie tot de voedingsnorm. Hierover bestaat nog onvoldoende onderzoek.”5

Het advies begrenst zichzelf nog een tweede keer: “De normen zijn gericht op mensen met een gemiddelde fysieke activiteit. De eiwitbehoefte van mensen die extreem sporten kan mogelijk hoger zijn, maar daar gaat dit advies niet op in.”5

Het advies om per maaltijd 20 tot 25 gram te nemen komt dus niet van een autoriteit. Het rust op de aanname dat een portie een plafond heeft.1 Die aanname is in het onderzoek met 100 gram gemeten, en ze kwam niet uit.1

Wat er over hoeveel eiwit per dag wél is opgeschreven, en door wie, staat in de rekenhulp voor eiwitbehoefte. Tien gepubliceerde normen naast elkaar, en ze antwoorden niet op dezelfde vraag.

Is snel opgenomen beter dan langzaam?

Wei komt sneller in het bloed dan caseïne. Die snelheid leverde in dit onderzoek geen aantoonbaar voordeel op. Wei gaf een hoge korte piek en caseïne een lage lange.4 Wat er uit de voeding in de bloedbaan aankwam scheelde te weinig om van toeval te onderscheiden: 356 tegen 300 micromol per kilo.4 Gemeten is leucine, een van de aminozuren.4 Het gegeten leucine min de verbranding kwam over zeven uur uit op 141 micromol per kilo bij caseïne en 11 bij wei.4

Wat dit niet zegt: kies caseïne. Dit zijn 16 mensen, verdeeld over vijf protocollen, na één maaltijd zonder koolhydraten, vet of training.4

De studie die snel en langzaam heeft bedacht

Het onderscheid tussen snelle en langzame eiwitten komt uit één onderzoek uit 1997.4 Ook daar zat het merkteken al in de koe, dus wat er gegeten was viel te onderscheiden van wat het lichaam zelf maakte.4

Na wei steeg de totale aanvoer van leucine in het bloed van 1,49 naar 4,21 micromol per kilo per minuut.4 Dat cijfer telt alles bij elkaar op: het leucine uit de voeding, uit lichaamseigen eiwit en uit het infuus.4

Na zes uur stond die aanvoer weer op de uitgangswaarde.4 Caseïne bleef laag en vlak, en stond na zes uur nog boven de uitgangswaarde.4

Dat is het verschil in snelheid. De 356 tegen 300 hierboven gaat over het leucine dat uit de voeding kwam, en dat verschil was te klein om van toeval te onderscheiden.4

De aanmaak van eiwit in het hele lichaam steeg met 68 procent bij wei en met 31 procent bij caseïne.4 Ook daar was het verschil te klein om van toeval te onderscheiden.4 Wat caseïne wel deed en wei niet, is de afbraak van lichaamseigen eiwit remmen.4

De leucinebalans over zeven uur was bij caseïne positief, 141 micromol per kilo, en bij wei 11.4 Die 11 was niet van nul te onderscheiden.4

Het langzame eiwit kwam er in dit onderzoek dus beter uit. Snel is in deze meting geen synoniem van beter.4

Aan het onderzoek werkte een auteur mee die verbonden is aan het onderzoekscentrum van Nestlé, en een aan het zuivellaboratorium van het Franse INRA.4 Betaald is het door het Franse ministerie van onderwijs en onderzoek, de regio Auvergne en INRA.4

De auteurs schrijven er zelf bij dat het effect kleiner kan uitvallen in een samengestelde maaltijd.4 Vet en koolhydraten veranderen hoe snel de maag zich leegt.4

Klopt het getal eiwit op de pot?

Het eiwit op de pot is niet gewogen. Eiwit bevat stikstof, en dat is wat een laboratorium meet.6 De gemeten stikstof gaat maal 6,25, en dat heet dan eiwit.6 Die vaste factor rust op de aanname dat eiwit voor ongeveer 16 procent uit stikstof bestaat.6 Het getal op het etiket kan er daardoor 15 tot 20 procent naast zitten.6

Wat dit niet zegt: dat een fabrikant iets fout doet. Die factor staat in de Europese etiketteringswetgeving. Wij hebben zelf geen enkele pot nagemeten.6

Waarom 6,25

De factor rust op twee aannames. De eerste: eiwit bestaat voor ongeveer 16 procent uit stikstof. De tweede: alle stikstof in voedsel komt daarvandaan.6

De eerste aanname klopt per eiwitbron net niet. Het stikstofgehalte van losse aminozuren loopt uiteen van 7,7 tot 32,2 procent.6 De juiste factor verschilt daardoor per bron: 5,70 voor soja tot 6,32 voor melk.6

De Europese etiketteringswetgeving gebruikt niettemin voor alles 6,25.6 Voor melk hoort 6,32, dus valt het getal op het etiket lager uit dan het werkelijke gehalte. Voor soja hoort 5,70, dus valt het hoger uit. Die twee delingen zijn van ons en staan niet zo in de review.

Dat is de reden dat deze site geen opnamecorrectie op eiwit toepast. Voordat je aan opname toekomt, draagt het getal op de pot zelf al een marge van 15 tot 20 procent.6

Dat zet de rest van deze pagina op maat. Wie 20 tegen 25 gram per shake afweegt, rekent met een etiketgetal dat zelf 15 tot 20 procent speling heeft.6

Wat wij ermee doen

Wij delen de prijs door het aantal gram eiwit dat op het etiket staat. Verder niets.

Geen enkele eiwitbron krijgt van ons een opnamevoordeel of een opnamenadeel. Niet wei, niet caseïne, niet soja. In de zes bronnen hierboven staat geen getal waarmee zo’n correctie te maken is.

Het getal op het etiket is voor elke pot dezelfde omrekening uit stikstof. Eén regel voor alle potten houdt een vergelijking navolgbaar. Hoe die deling verder loopt staat op zo rekenen we.

Wat hier niet staat

Wat er wel staat is per vraag één meting, met het aantal deelnemers, de looptijd en de verklaring onderaan erbij.

Bronnen

Klap een bron open en je ziet wat er precies uit dat onderzoek is gebruikt, welke zin uit dit stuk hij draagt, en wat hij uitdrukkelijk niet draagt.

  1. 1Trommelen J, van Lieshout GAA, Nyakayiru J, Holwerda AM, Smeets JSJ, Hendriks FK, van Kranenburg JMX, Zorenc AH, Senden JM, Goessens JPB, Gijsen AP, van Loon LJC. The anabolic response to protein ingestion during recovery from exercise has no upper limit in magnitude and duration in vivo in humans. Cell Reports Medicine 2023;4(12):101324. DOI 10.1016/j.xcrm.2023.101324. Open access.gerandomiseerd gecontroleerd onderzoek met isotooptracers, drie parallelle groepen · volledige tekst gelezen via de kopie op PubMed Central (PMC10772463), inclusief de resultaten, de discussie, de beperkingensectie en de belangenverklaring · gelezen 2026-08-04
    Opzet
    Gerandomiseerd onderzoek met placebogroep, uitgevoerd bij de Universiteit Maastricht tussen juni 2019 en maart 2020, vooraf geregistreerd in het Nederlands Trialregister onder NL7700. Er werd melkeiwit gebruikt waarin het label al in de koe was ingebouwd, zodat te volgen is waar de aminozuren uit dat eiwit terechtkomen. Vier tracers tegelijk, bloed- en spierafnames over een periode van twaalf uur na inname.
    Onderzocht bij
    36 gezonde jonge mannen, 12 per groep, na een enkele krachttrainingssessie voor het hele lichaam.
    Vergeleken met
    Drie groepen naast elkaar: 0 gram eiwit (placebo), 25 gram eiwit en 100 gram eiwit, alle drie als een enkele portie na de training.
    Dosering en duur
    Eenmalig 0, 25 of 100 gram melkeiwit.
    Wat er is gemeten
    Vooraf vastgelegde hoofduitkomst was de aanmaaksnelheid van spiereiwit over de volle twaalf uur. Daarnaast: hoeveel van het gegeten eiwit als aminozuren in de bloedbaan verscheen, hoeveel ervan in spierweefsel werd ingebouwd, hoeveel er werd verbrand, en de balans over het hele lichaam.
    Wat er is gevonden
    Van 100 gram eiwit kwam in twaalf uur 53 plus of min 7 gram aan aminozuren in de bloedbaan, tegen 16 plus of min 1 gram bij 25 gram eiwit. Uitgedrukt als percentage van wat er gegeten was: bij 25 gram 51, 62 en 66 procent na respectievelijk 4, 8 en 12 uur, en dus vlakkend af; bij 100 gram 26, 44 en 53 procent, en dus na twaalf uur nog steeds stijgend. In spierweefsel werd bij 25 gram 12, 15 en 18 procent ingebouwd na 4, 8 en 12 uur; bij 100 gram 13 gram, oftewel 13 procent, en die inbouw liep de hele twaalf uur vrijwel rechtlijnig door. De aanmaak van spiereiwit lag bij 100 gram ongeveer 20 procent hoger in de eerste vier uur en ongeveer 40 procent hoger in de acht uur daarna, vergeleken met 25 gram. De verbranding van aminozuren nam wel toe, maar was verwaarloosbaar naast de toename van de eiwitaanmaak in het hele lichaam; de auteurs schrijven dat met zoveel woorden op. De auteurs herberekenden daarnaast de verbrandingscijfers uit twee eerdere dosis-responsonderzoeken en kwamen daar op minder dan 15 procent van de extra inname, waarmee meer dan 85 procent naar de aanmaak van weefseleiwit ging.
    Draagt in dit stuk
    Dat 100 gram eiwit in een keer meer aminozuren in de bloedbaan brengt dan 25 gram, en hoeveel: 53 tegen 16 gram in twaalf uur. Dat de opname bij 100 gram na twaalf uur nog niet klaar was. Dat de veronderstelling waarop een plafond per portie rust, hier is gemeten en niet uitkwam. En dat het deel dat verbrand wordt klein is naast het deel dat wordt ingebouwd.
    Draagt uitdrukkelijk niet
    36 gezonde jonge mannen, een keer, na een krachttrainingssessie, en de meting stopte na twaalf uur terwijl verschillende uitkomsten toen nog liepen; de auteurs noemen hun eigen cijfers daarom een ondergrens. Zij schrijven zelf dat zij niet weten of dit naar andere groepen is door te trekken, en dat mensen met een lagere lichamelijke activiteit of een zwakkere gezondheid mogelijk wel tegen een plafond aanlopen. Het onderzoek gaat over een enkele portie en niet over een dagtotaal: het levert dus geen getal voor hoeveel iemand per dag nodig heeft. Het zegt niets over gezondheid, niets over een supplement en niets over een merk. De zin in de inleiding dat er nu geadviseerd wordt om per maaltijd niet meer dan 20 tot 25 gram te nemen, is de weergave die deze auteurs van hun eigen vakgebied geven, en geen norm van een autoriteit; wij hebben de twee onderzoeken waar zij daarvoor naar verwijzen niet zelf kunnen inzien.
    Belangen en financiering
    Een van de auteurs, G.A.A. van Lieshout, is in dienst van FrieslandCampina. In de verklaring staat dat het bedrijf geen rol had in de financiering, de gegevensverzameling, de analyse of het schrijven van het stuk. Voor de twee hoofdauteurs verwijst de verklaring naar een openbaar overzicht van hun loopbaanfinanciering op de website van de Universiteit Maastricht; dat overzicht hebben wij niet ingezien.

    https://doi.org/10.1016/j.xcrm.2023.101324

  2. 2Macnaughton LS, Wardle SL, Witard OC, McGlory C, Hamilton DL, Jeromson S, Lawrence CE, Wallis GA, Tipton KD. The response of muscle protein synthesis following whole-body resistance exercise is greater following 40 g than 20 g of ingested whey protein. Physiological Reports 2016;4(15):e12893. DOI 10.14814/phy2.12893. Open access.gerandomiseerd cross-overonderzoek met isotooptracers en spierbiopten · volledige tekst gelezen via de kopie op PubMed Central (PMC4985555), inclusief de resultaten, de discussie, de financieringsverklaring en de verklaring over belangenconflicten · gelezen 2026-08-04
    Opzet
    Cross-over in willekeurige volgorde: elke deelnemer deed beide porties. Aanmaak van spiereiwit gemeten met een infuus van gemerkt fenylalanine en spierbiopten, over de vijf uur na de training.
    Onderzocht bij
    30 krachtgetrainde jonge mannen, verdeeld in een groep met minder vetvrije massa (65 kilo of minder, 15 mannen) en een groep met meer (70 kilo of meer, 15 mannen).
    Vergeleken met
    20 gram tegen 40 gram wei-eiwitisolaat, bij dezelfde persoon, na een krachttrainingssessie voor het hele lichaam.
    Dosering en duur
    Eenmalig 20 of 40 gram wei-eiwitisolaat.
    Wat er is gemeten
    Aanmaaksnelheid van spiereiwit in procent per uur over de eerste vijf uur na de training.
    Wat er is gevonden
    Over beide groepen samen: 0,059 plus of min 0,020 procent per uur na 40 gram, tegen 0,049 plus of min 0,020 procent per uur na 20 gram, met p = 0,005. Dat is ongeveer 20 procent verschil. De hoeveelheid vetvrije massa maakte bij deze twee porties geen verschil: de mannen met meer vetvrije massa reageerden niet anders dan die met minder. De auteurs wijzen er in de discussie op dat de twee eerdere onderzoeken die geen verschil vonden tussen 20 en 40 gram, alleen de benen lieten trainen, terwijl hier het hele lichaam werd getraind, en dat de hoeveelheid aangesproken spier volgens hen de meest waarschijnlijke verklaring is voor het verschil in uitkomst.
    Draagt in dit stuk
    Dat 40 gram wei-eiwit in dit onderzoek ongeveer 20 procent meer aanmaak van spiereiwit gaf dan 20 gram, en dat het antwoord op de vraag hoeveel eiwit een portie nuttig maakt mede afhangt van hoeveel spier er tijdens de training is aangesproken.
    Draagt uitdrukkelijk niet
    30 getrainde jonge mannen, geen vrouwen, en een meetvenster van vijf uur. Het onderzoek meet de aanmaaksnelheid van spiereiwit en niet de opname in de darm, en het meet geen afbraak, dus het zegt niets over de netto balans. Twee eerdere onderzoeken bij vergelijkbare mannen vonden tussen dezelfde twee porties geen verschil; die twee hebben wij niet zelf kunnen lezen. Het geeft geen aanbeveling per maaltijd, geen dagtotaal, en het zegt niets over gezondheid, over een supplement of over een merk. Dat 40 meer geeft dan 20 zegt bovendien niets over waar de curve wel vlak wordt: dat is hier niet gemeten.
    Belangen en financiering
    Het onderzoek is betaald met een subsidie van GlaxoSmithKline Consumer Healthcare aan twee van de auteurs. Een van de auteurs, C.E. Lawrence, was tijdens het onderzoek in dienst van GlaxoSmithKline Consumer Healthcare. In dezelfde alinea staat dat geen van de auteurs een belangenconflict had.

    https://doi.org/10.14814/phy2.12893

  3. 3Schoenfeld BJ, Aragon AA, Krieger JW. The effect of protein timing on muscle strength and hypertrophy: a meta-analysis. Journal of the International Society of Sports Nutrition 2013;10:53. DOI 10.1186/1550-2783-10-53. Open access.systematische review met meta-analyse en meerlaagse meta-regressie · volledige tekst gelezen via de kopie op PubMed Central (PMC3879660), inclusief de tabel met de opgenomen onderzoeken, de volledige resultatensectie, de beperkingen, de belangenverklaring en de dankbetuiging · gelezen 2026-08-04
    Opzet
    Systematische zoektocht in PubMed en Google Scholar tot maart 2013, met vooraf vastgelegde selectiecriteria en een kwaliteitsbeoordeling op de PEDro-schaal; alleen onderzoeken met een score van 5 of hoger deden mee, en de gemiddelde score was 8,7. Daarna een meta-regressie waarin per onderzoek werd gecorrigeerd voor trainingservaring, blindering, geslacht, leeftijd, lichaamsgewicht, duur en totale eiwitinname.
    Onderzocht bij
    478 deelnemers in 20 onderzoeken voor kracht, en 525 deelnemers in 23 onderzoeken voor spieromvang. Overwegend mensen zonder trainingservaring; maar vier onderzoeken gebruikten getrainde deelnemers.
    Vergeleken met
    Eiwit binnen een uur voor of na de training, tegen een controlegroep die binnen twee uur rond de training geen eiwit kreeg. Minimaal 6 gram essentiele aminozuren, en minimaal zes weken krachttraining.
    Dosering en duur
    Verschilt per onderzoek. In de onderzoeken zonder gelijkgetrokken dagtotaal at de controlegroep gemiddeld 1,33 gram eiwit per kilo per dag en de behandelgroep 1,66. In de drie onderzoeken die het dagtotaal wel gelijktrokken was dat 1,81 tegen 1,91.
    Wat er is gemeten
    Effectgrootte op maximaalkracht (1RM) en op spieromvang, dat laatste als doorsnede van de spier of als vetvrije massa.
    Wat er is gevonden
    Zonder correctie voor storende factoren gaf de timing een klein effect op spieromvang, 0,24 plus of min 0,10 met een interval van 0,04 tot 0,44 en p = 0,02, en geen effect op kracht. In het volledige model met correctie viel dat effect weg: 0,16 plus of min 0,11 met een interval van min 0,07 tot 0,38 en p = 0,18 voor spieromvang, en p = 0,49 voor kracht. In een tweede, teruggebracht model bleven alleen totale eiwitinname, studieduur en blindering als significante covariabelen over; daar was de totale eiwitinname per dag de sterkste voorspeller van het effect op spieromvang: 0,41 plus of min 0,14, interval 0,14 tot 0,69, p = 0,004. Die 0,41 komt dus uit het teruggebrachte model en niet uit het volledige model. Van de drie onderzoeken die het dagtotaal gelijktrokken, vonden er twee geen voordeel van timing.
    Draagt in dit stuk
    Dat het gemeten voordeel van eiwit vlak rond de training verdween zodra er werd gecorrigeerd voor hoeveel eiwit er die dag in totaal werd gegeten, en dat het dagtotaal in deze analyse de sterkste voorspeller was.
    Draagt uitdrukkelijk niet
    Dit weerlegt het bestaan van een tijdvenster niet. De auteurs schrijven met zoveel woorden dat de controlegroepen tussen onderzoeken sterk verschilden in wanneer zij hun eiwit kregen, en dat daardoor niet is vast te stellen of er een venster bestaat; zij houden zelf de mogelijkheid open dat het vier tot zes uur breed is. Slechts drie van de opgenomen onderzoeken trokken het dagtotaal gelijk, en dat is te weinig om hard te concluderen. Het merendeel van de deelnemers had geen trainingservaring, en bij getrainde mensen kan het anders liggen; met vier onderzoeken was daar geen uitspraak over te doen. Het zegt niets over gezondheid, niets over een supplement en niets over een merk.
    Belangen en financiering
    De auteurs verklaren geen concurrerende belangen te hebben. In de dankbetuiging staat dat het onderzoek is gesteund met een subsidie van Dymatize Nutrition in Dallas, een fabrikant van eiwitsupplementen.

    https://doi.org/10.1186/1550-2783-10-53

  4. 4Boirie Y, Dangin M, Gachon P, Vasson MP, Maubois JL, Beaufrere B. Slow and fast dietary proteins differently modulate postprandial protein accretion. Proceedings of the National Academy of Sciences 1997;94(26):14930-14935. DOI 10.1073/pnas.94.26.14930. Open access.gecontroleerd toedieningsonderzoek met isotooptracers, vijf deelprotocollen · volledige tekst gelezen via de kopie op PubMed Central (PMC25140), inclusief de methodesectie, de tabellen, de volledige resultatensectie, de discussie en de dankbetuiging met de financiering · gelezen 2026-08-04
    Opzet
    Melkeiwit waarin het label al in de koe was ingebouwd, gecombineerd met een infuus van een tweede gemerkt aminozuur, zodat het gegeten eiwit los van het lichaamseigen eiwit te volgen is. Bloed- en ademmonsters elke 20 minuten gedurende zeven uur na een enkele maaltijd, na tien uur vasten. Vijf aparte protocollen met drie tot zes deelnemers elk.
    Onderzocht bij
    16 gezonde jonge volwassenen, gemiddeld 24 jaar.
    Vergeleken met
    Wei-eiwit tegen caseine, als voorbeeld van een snel en een langzaam eiwit. De twee maaltijden waren gelijkgetrokken op leucine en niet op stikstof; in een extra protocol met drie deelnemers werd het andersom gedaan.
    Dosering en duur
    Eenmalig 30 gram wei-eiwit tegen 43 gram caseine, beide met 380 micromol leucine per kilo lichaamsgewicht. Geen koolhydraten, geen vet, geen training.
    Wat er is gemeten
    Snelheid waarmee aminozuren uit het gegeten eiwit in het bloed verschijnen, de aanmaak en de afbraak van eiwit in het hele lichaam, de verbranding van leucine, en de balans over zeven uur. Die balans is in de methodesectie gedefinieerd als het gegeten leucine min de oppervlakte onder de curve van de totale leucineverbranding over 420 minuten, waarbij is aangenomen dat al het toegediende leucine is opgenomen.
    Wat er is gevonden
    Wei gaf een hoge, korte piek: de TOTALE aanvoer van leucine in het bloed (Total Leu Ra) steeg van 1,49 naar 4,21 micromol per kilo per minuut en was na zes uur (360 min) terug op de uitgangswaarde. LET OP, hier is de eerste versie van het artikel op misgegaan: die 1,49 en 4,21 zijn NIET het leucine uit de voeding alleen. De studie definieert Total Leu Ra in de methodesectie met zoveel woorden als de som van het leucine uit de voeding (Exo Leu Ra), het leucine uit afbraak van lichaamseigen eiwit (Endo Leu Ra) en het intraveneus toegediende gemerkte leucine. Caseine steeg minder (1,55 naar 2,05 op 80 min) en stond na zes uur nog boven de uitgangswaarde (1,74), terwijl wei toen was teruggezakt. Alleen het leucine uit de voeding (Exo Leu Ra, oppervlakte onder de curve) verschilde niet significant: 356 plus of min 35 micromol per kilo bij wei tegen 300 plus of min 35 bij caseine. De aanmaak van eiwit in het hele lichaam steeg met 68 procent bij wei en met 31 procent bij caseine (gemiddelde over 40 tot 140 min), een verschil dat niet significant was. De afbraak van lichaamseigen eiwit werd door caseine geremd en door wei niet. De LEUCINEbalans over zeven uur (420 min) was positief bij caseine, 141 plus of min 96 micromol per kilo, en niet te onderscheiden van nul bij wei, 11 plus of min 36, met p kleiner dan 0,05 tussen de twee.
    Draagt in dit stuk
    Dat wei-eiwit sneller in het bloed komt dan caseine, en dat dat een verschil in snelheid is en niet in hoeveelheid: de aanvoer van leucine uit de voeding verschilde niet significant. En dat de leucinebalans over zeven uur in dit onderzoek beter uitpakte bij het langzame eiwit.
    Draagt uitdrukkelijk niet
    16 deelnemers verdeeld over vijf protocollen, dus drie tot zes per meting, en dat is klein. Een enkele maaltijd zonder koolhydraten, zonder vet en zonder training, bij mensen die tien uur hadden gevast; de auteurs schrijven zelf dat het effect in een samengestelde maaltijd kleiner kan uitvallen omdat vet en koolhydraten de maaglediging en de insulinereactie veranderen. Het meet de balans over het hele lichaam en niet in de spier, en het loopt zeven uur en geen dag. Het zegt niets over hoeveel eiwit iemand per dag nodig heeft, niets over training, niets over gezondheid en niets over een merk. Uit dit onderzoek volgt dus geen aanbeveling om caseine boven wei te kiezen.
    Belangen en financiering
    Een van de auteurs, M. Dangin, is naast de universiteit verbonden aan Nestec Ltd, het onderzoekscentrum van Nestle, en een andere aan het zuiveltechnologisch laboratorium van het Franse landbouwkundig instituut INRA. Het onderzoek is betaald door het Franse ministerie van onderwijs en onderzoek, de regio Auvergne en INRA. Een aparte verklaring over belangenconflicten staat er niet in; in 1997 was die bij dit tijdschrift nog niet verplicht.

    https://doi.org/10.1073/pnas.94.26.14930

  5. 5Gezondheidsraad. Voedingsnormen voor eiwitten: referentiewaarden voor de inname van eiwitten. Den Haag: Gezondheidsraad, 2 maart 2021, publicatienr. 2021/10. Open access.advies van een nationale wetenschappelijke adviesraad · volledige tekst gelezen, 26 pagina's, PDF opgehaald bij gezondheidsraad.nl en met pdftotext uitgelezen; de twee geciteerde passages zijn woordelijk in die tekst nagezocht · gelezen 2026-08-04
    Opzet
    Advies van een vaste commissie, opgesteld na beoordeling van de bestaande voedingsnormen van EFSA, de WHO, de Noordse landen en de DACH-landen, met twee achtergronddocumenten waaronder een systematische review.
    Onderzocht bij
    Gezonde mensen in Nederland met een gezond gewicht en een gemiddelde fysieke activiteit.
    Vergeleken met
    De normen van EFSA uit 2012, de Noordse aanbeveling uit 2012 en de DACH-referentiewaarden uit 2017.
    Dosering en duur
    Niet van toepassing. Dit advies stelt referentiewaarden vast voor de inname per dag en niet per maaltijd.
    Wat er is gemeten
    Referentiewaarden voor de eiwitinname, uitgedrukt in gram per kilo lichaamsgewicht per dag.
    Wat er is gevonden
    Over de verdeling over de dag schrijft het advies letterlijk: Dit advies gaat niet in op de vraag of de verdeling van de eiwitconsumptie over de dag van belang is in relatie tot de voedingsnorm. Hierover bestaat nog onvoldoende onderzoek. Over sporten schrijft het: De normen zijn gericht op mensen met een gemiddelde fysieke activiteit. De eiwitbehoefte van mensen die extreem sporten kan mogelijk hoger zijn, maar daar gaat dit advies niet op in.
    Draagt in dit stuk
    Dat de Nederlandse adviesraad geen norm stelt voor de verdeling van eiwit over de dag, en waarom niet: er is te weinig onderzoek over. En dat de normen die er wel zijn, gelden voor mensen met een gemiddelde fysieke activiteit.
    Draagt uitdrukkelijk niet
    Geen norm hebben is niet hetzelfde als vaststellen dat de verdeling niet uitmaakt: het advies zegt dat de vraag niet is onderzocht, niet dat hij is beantwoord. Het advies gaat niet over sporters, niet over mensen met obesitas en niet over kwetsbare ouderen; dat schrijft het zelf. Het zegt niets over een supplement, niets over een merk en niets over opname in de darm.
    Belangen en financiering
    Onafhankelijk wetenschappelijk adviesorgaan van de Nederlandse overheid. Geen commerciele financiering.

    https://www.gezondheidsraad.nl/documenten/2021/03/02/voedingsnormen-voor-eiwitten

  6. 6Geirsdottir OG, Pajari AM. Protein: a scoping review for Nordic Nutrition Recommendations 2023. Food & Nutrition Research 2023;67:10261. DOI 10.29219/fnr.v67.10261. Open access.scoping review als onderbouwing van een regionale voedingsnorm · volledige tekst gelezen via de kopie op PubMed Central (PMC10770649); de geciteerde passage over de omrekenfactor is woordelijk in die tekst nagezocht · gelezen 2026-08-04
    Opzet
    Scoping review die de wetenschappelijke basis samenvat onder de Noordse voedingsnormen van 2023.
    Onderzocht bij
    De bevolking van de Noordse en Baltische landen. Niet van toepassing op de passage die hier wordt gebruikt: die gaat over de meetmethode achter een voedingswaardetabel.
    Vergeleken met
    Niet van toepassing voor de gebruikte passage.
    Dosering en duur
    Niet van toepassing voor de gebruikte passage.
    Wat er is gemeten
    Voor de gebruikte passage: de omrekenfactor van stikstof naar eiwit, en de fout die daarbij hoort.
    Wat er is gevonden
    Het eiwitgehalte van voedsel wordt niet gemeten als eiwit maar berekend uit het stikstofgehalte, standaard met de factor 6,25. Die factor rust op de aanname dat eiwit voor ongeveer 16 procent uit stikstof bestaat en dat alle stikstof in voedsel uit eiwit komt. Het stikstofgehalte van losse aminozuren loopt uiteen van 7,7 tot 32,2 procent, waardoor de juiste factor per bron verschilt: 5,70 voor soja tot 6,32 voor melk. De review schrijft dat vermenigvuldigen met de standaardwaarde van 6,25 onvolkomen is en tot een fout van 15 tot 20 procent kan leiden in het werkelijke eiwitgehalte, en dat de etiketteringswetgeving van de Europese Unie die standaardwaarde blijft gebruiken.
    Draagt in dit stuk
    Dat het getal eiwit op een etiket een omrekening uit stikstof is en geen meting van eiwit, dat een laboratorium daarvoor de stikstof meet omdat eiwit stikstof bevat, dat de vaste factor 6,25 rust op de aanname dat eiwit voor ongeveer 16 procent uit stikstof bestaat, dat de Europese etiketteringswetgeving die factor voorschrijft, dat de juiste factor per eiwitbron uiteenloopt van 5,70 tot 6,32, en dat de fout in het eiwitgehalte daardoor 15 tot 20 procent kan bedragen.
    Draagt uitdrukkelijk niet
    Dit is een uitspraak over de meetmethode achter voedingswaardegetallen in het algemeen, en niet over een specifiek product, een specifieke pot of een specifiek merk. Het is geen bewering dat een fabrikant iets fout doet: de factor 6,25 is voorgeschreven. Wij hebben zelf geen enkel product nagemeten, en deze review ook niet. De review zegt verder niets over opname in de darm, niets over een supplement en niets over hoeveel iemand nodig heeft.
    Belangen en financiering
    Wetenschappelijke onderbouwing in opdracht van de Nordic Council of Ministers. Geen commerciele financiering vermeld.

    https://doi.org/10.29219/fnr.v67.10261

Verder rekenen