Tools

1RM berekenen: 10 formules en de spreiding ertussen

Elke 1RM-calculator kiest één formule en zet er een getal neer. Wij vullen er tien in, laten zien dat ze 9 procent schelen, en vragen als enige welke oefening je deed.

Bereken je 1RM

Deze rekenhulp heeft JavaScript nodig. Staat dat uit, dan staan de formules verderop nog gewoon op de pagina, met bron en al. Ze zijn met de hand na te doen. Dat is met opzet.

Alle tien de formules staan hieronder uitgeschreven, met de bron erbij. Reken het zelf na.

Kort antwoord

Wat is je 1RM?
Het zwaarste gewicht dat je precies één keer omhoog krijgt. One repetition maximum, en je kunt het meten door het een keer te tillen en te kijken of het lukt. Al het andere is schatten.

Hoe bereken je je 1RM?
Je gewicht maal een factor die uit het aantal herhalingen volgt. Meer doen de klassieke formules niet, en bij 80 kilo en acht herhalingen komen ze uit tussen 96 en 105 kilo.23

Welke 1RM-formule is de beste?
Minder belangrijk dan het aantal herhalingen dat je invult. Bij 103 vrouwen zat Lander er over het hele bereik 22,9 procent naast, en bij alleen de sets van tien of minder min 1,1 procent.3

Hoe nauwkeurig is een 1RM-berekening?
Op een kilo of tien na. Twee mensen die acht keer 80 kilo bankdrukken, komen volgens de spreiding bij Nuzzo c.s. tussen 94 en 103 kilo uit.1 Vandaar de band hierboven, en niet één getal.

Zo rekenen we op de rest van deze site

Wat is je 1RM?

1RM staat voor one repetition maximum: het zwaarste gewicht dat je precies één keer omhoog krijgt. Eén herhaling, en een tweede zit er niet in.

Daar valt niets aan te rekenen. Je kunt het tillen, en dan weet je het. Alleen kost dat een opbouw, iemand die meekijkt en een dag waarop het meezit. Die drie vallen zelden samen.

Een schatting doet iets anders. Die neemt een set die je toch al deed, en rekent terug naar de ene herhaling die je niet gedaan hebt.

1RM berekenen: hoe doe je dat?

Twee getallen erin, één getal eruit: het gewicht dat op de stang lag, en het aantal herhalingen dat erin zat.

Daar gaat een factor overheen, en juist daarover zijn de formules het onderling niet eens. Bij 80 kilo en acht herhalingen zegt Epley 101 kilo en O’Conner 96.2 Zelfde set, vijf kilo verschil.

Het rekenwerk is triviaal. Het probleem zit in de factor, en in het aantal herhalingen dat je invult.

De tien formules, zodat je ze zelf kunt nadoen

Hieronder is w het gewicht en r het aantal herhalingen, en alles past op een gewone rekenmachine. Een formule die je niet kunt nadoen, moet je op zijn woord geloven.

Formule Rekensom 80 kg, 8 herhalingen
Epley (1985) w × (1 + r/30) 101 kg
Brzycki (1993) 100w / (102,78 − 2,78r) 99 kg
Lander (1985) 100w / (101,3 − 2,67123r) 100 kg
Lombardi (1989), exponent 0,10 w × r^0,10 98 kg
Lombardi (1989), exponent 0,13 w × r^0,13 105 kg
Mayhew c.s. (1992) 100w / (52,2 + 41,9 × e^(−0,055r)) 101 kg
O’Conner c.s. (1989) w × (1 + 0,025r) 96 kg
Wathen (1994) 100w / (48,8 + 53,8 × e^(−0,075r)) 102 kg
Nuzzo c.s. (2024) tabel opzoeken, per oefening 96 kg
Marzagão (2026) w × (1 + (r − 1)^0,85 / (−2,55 + 4,58 × ln w)) 104 kg

De tien uitkomsten lopen van 96 tot 105 kilo. Onafgerond schelen de hoogste en de laagste klassieke uitkomst 8,8 kilo, en dat is 9,2 procent van die onderste waarde.

De regel van Nuzzo c.s. staat hier met de algemene tabel, en kies je bankdrukken, dan wordt het 98 kilo en bij de beenpers 87.1

Epley (1985) en Brzycki (1993)

Geen van beide komt uit onderzoek. Epley is een gewichtentabel uit een trainingsboek van de University of Nebraska, en de formule is er later uit afgeleid.5 Brzycki stond in een praktijkartikel in een vakblad voor gymdocenten, zonder steekproef en zonder methode.5

Wij hebben geen van beide originelen gelezen. Het artikel van Brzycki gaf op 4 augustus 2026 HTTP 403, oftewel geen toegang, en het boek van Epley wordt niet meer gedrukt.

Lander (1985), Lombardi (1989) en O’Conner c.s. (1989)

Van deze drie kennen wij alleen de vorm. Jiménez en De Paz drukken ze af in hun tabel 1, overgenomen uit een vergelijking van LeSuer c.s. uit 1997.2 Dat artikel gaf op 4 augustus 2026 ook HTTP 403.

Lombardi staat twee keer in de tabel, met 0,10 en met 0,13, en op acht herhalingen schelen die exponenten 6,4 procent.23

Mayhew c.s. (1992) en Wathen (1994)

Mayhew c.s. (1992) is de enige klassieke formule met een eigen steekproef eronder: 435 studenten op de bankdrukbank, 184 mannen en 251 vrouwen.5

Wathen heeft er geen. In de tabel van Mayhew c.s. (2008) staat er een voetnoot bij: de formule is zelf uit een tabel afgeleid.3 Net als die van Epley.

Nuzzo c.s. (2024): een tabel in plaats van een formule

Deze regel is geen formule maar een opzoeking, en hij is de enige die vraagt welke oefening je deed.1

Let op wat wij hier doen. Nuzzo c.s. gaan van belasting naar herhalingen: bij 80 procent van je maximum haalt de gemiddelde mens 9,75 herhalingen.1 Wij draaien dat om en delen je gewicht door het percentage dat bij jouw aantal hoort. Die omkering is onze rekenstap en geen bewering van hen.

Marzagão (2026): het gewicht telt mee

De enige van de tien waarin het gewicht zelf meebepaalt wat een herhaling waard is.5 Hij is geijkt op 303 494 sets van 14 966 gebruikers van een trainingsapp, over 388 oefeningen.5

Tegenover de vier klassieke formules waarmee hij is vergeleken, was hij 17 tot 22 procent consistenter. Dat gold voor alle 183 oefeningen met genoeg data.5

En dan de andere kant. In die 303 494 sets staat geen enkel gemeten maximum, dus er is niets tegen de werkelijkheid nagerekend. Het criterium is interne consistentie, en een formule kan volmaakt consistent zijn en consistent verkeerd.5

Het stuk van Marzagão is bovendien niet beoordeeld door vakgenoten. De auteur staat erin met een e-mailadres van het bedrijf waarvan de data komt.5

Welke 1RM-formule is de beste?

Op die vraag is geen antwoord, en dat ligt niet aan de formules alleen. Het bereik waarop je ze gebruikt doet meer dan de keuze tussen de een en de ander.

Mayhew c.s. (2008) hielden veertien formules tegen een gemeten maximum bij 103 vrouwen, voor en na twaalf weken krachttraining.3 Twee daarvan staan hierboven in de tabel.

Formule Over het hele bereik Tien herhalingen of minder
Brzycki 26,7 procent ernaast, spreiding 101,7 procentpunt min 2,0 procent, spreiding 10,5
Lander 22,9 procent ernaast, spreiding 70,7 min 1,1 procent, spreiding 10,5

Dezelfde formules, dezelfde vrouwen, ander bereik. Een spreiding van 101,7 procentpunt is geen afrondingskwestie.

De auteurs schrijven er zelf iets bij: de meeste van die veertien formules vermelden geen steekproef en geen afleiding.3 En maar vijf van de veertien geven aan vrouwen in hun materiaal te hebben gehad.3

Hoeveel herhalingen mag je invullen?

Alles tussen twee en tien is veilig gebied. Daarbuiten komt er nog steeds een getal uit, en dat is precies het probleem.

Eén herhaling: dan heb je je maximum al

Vul één herhaling in en er is maar één verdedigbaar antwoord: het gewicht dat je net getild hebt. Een set van één is zelf een maximum.

Formule 80 kg, 1 herhaling
Brzycki (1993) 80 kg
Lombardi (1989), exponent 0,10 80 kg
Lombardi (1989), exponent 0,13 80 kg
Wathen (1994) 81,04 kg
Lander (1985) 81,11 kg
O’Conner c.s. (1989) 82 kg
Epley (1985) 82,67 kg
Mayhew c.s. (1992) 87,09 kg

Vijf van de acht klassieke regels geven dus niet je eigen gewicht terug. Mayhew c.s. (1992) zit er 8,9 procent boven, op een gewicht dat je zojuist zelf omhoog hebt gekregen.

Marzagão (2026) geeft er wel 80, want dan is r min 1 nul.5 Nuzzo c.s. geven helemaal niets, want hun tabel houdt op bij 95 procent van het maximum en één herhaling ligt daarboven.1

Boven de tien lopen ze uit elkaar

Hoe lichter het gewicht en hoe meer herhalingen, hoe verder de formules uit elkaar gaan staan. Bij 12 kilo en vijftien herhalingen komen de klassieke formules uit rond 19 tot 20 kilo, en die uit 2026 op ongeveer 25.5

Bij bankdrukken met 100 kilo op vijf herhalingen schelen ze minder dan 2 kilo, dus de onenigheid zit niet overal even hoog.5

Ging die set echt tot het einde?

Elke formule hierboven neemt aan dat er geen herhaling meer in zat. Dat is een aanname over jou, en niet over de rekensom.

Marzagão haalt onderzoek aan waarin mensen te vroeg stoppen terwijl ze denken dat ze aan het eind zitten. Bij mensen met ervaring een tot twee herhalingen, bij minder ervaren vier tot vijf.5

Het aantal dat je invult is dus zelf al een schatting. En die gaat als een gemeten getal de formule in.

Waarom maakt het uit welke oefening je deed?

Omdat het in kilo’s scheelt. Vul je 80 kilo en acht herhalingen in, dan geeft de tabel van Nuzzo c.s. 98 kilo voor bankdrukken en 87 voor de beenpers.1 Dat is 12,9 procent, bij precies dezelfde invoer.

Geen van de acht klassieke formules heeft een veld voor de oefening, dus ze zetten er voor allebei hetzelfde getal neer.

Wat het leerboek zegt, en wat er gemeten is

De tabel die al jaren in een veelgebruikt leerboek staat, noemt per percentage één aantal herhalingen. Nuzzo c.s. legden hem naast hun eigen uitkomsten.1

Aandeel van het maximum Leerboek Nuzzo c.s., algemene tabel
90 procent 4 4,94
80 procent 8 9,75
70 procent 11 14,80

Het leerboek telt dus te weinig herhalingen, en het meest bij de lichte lasten.1 Op 70 procent staat het gemiddelde op 14,80 herhalingen, en niet op elf.

Wat de oefening niet vangt

Richens en Cleather zetten acht gewichtheffers en acht duurlopers op dezelfde beenpers.4 Op 80 procent van hun eigen maximum haalden de lopers 19,8 herhalingen en de gewichtheffers 11,8, en dat verschil hield stand in de toets. Op 90 procent was het 10,8 tegen 7,0, en daar niet.4

Het gat wordt dus groter naarmate de last lichter is. Zestien mensen en één oefening, dus dit is geen schatting voor de rest van de bevolking.

De auteurs noemen zelf een tweede verklaring die zij niet kunnen uitsluiten.4 De lopers waren niet gewend aan zware lasten, en hebben hun maximum mogelijk te laag neergezet.

Hoe nauwkeurig is een 1RM-berekening?

Twee onderzoeken hier hebben een gemeten maximum naast een schatting gelegd, en allebei op de bankdrukbank.

Jiménez en De Paz maten 28 vrouwen van 30 tot 40 jaar zonder ervaring in krachttraining.2 Het echte maximum lag 6,43 procent onder de schatting van Mayhew c.s. (1992) en 14,19 procent onder die van Wathen. Na acht weken training was dat 7,93 en 16,98 procent.2

Beide formules schatten dus te hoog, en na training nog iets meer. Dat geldt voor die twee formules en voor die 28 vrouwen, en over de andere vijf zegt dit onderzoek niets.2

Zet er twee getallen naast elkaar. Bij 80 kilo en acht herhalingen verschillen de klassieke formules onderling 8,8 kilo. Twee mensen die diezelfde set doen, komen volgens de spreiding bij Nuzzo c.s. tussen 94 en 103 kilo uit.1

De onenigheid tussen de formules is dus ongeveer even groot als het verschil tussen twee mensen. Daar helpt geen betere formule tegen.

Wat dit getal niet is

Het is geen meting. Het is de uitkomst van formules die op groepen zijn afgeleid, en van een tabel die wij hebben omgedraaid.1 Wil je je maximum echt weten, dan is er precies één manier, en dat is het tillen.

Het is ook geen trainingsadvies.

Bronnen

Klap een bron open en je ziet wat er precies uit dat onderzoek is gebruikt, welke zin uit dit stuk hij draagt, en wat hij uitdrukkelijk niet draagt.

  1. 1Nuzzo JL, Pinto MD, Nosaka K, Steele J. Maximal Number of Repetitions at Percentages of the One Repetition Maximum: A Meta-Regression and Moderator Analysis of Sex, Age, Training Status, and Exercise. Sports Medicine 2024;54(2):303-321. DOI 10.1007/s40279-023-01937-7. Open access.meta-regressie over gepubliceerd onderzoek · volledige tekst gelezen; PDF van 1,4 MB opgehaald bij Springer. De drie tabellen staan in dit artikel als afbeelding binnen figuur 2, 3 en 4 en zitten dus niet in de tekstlaag van de PDF; ze zijn afgelezen van de op 200 dpi gerenderde pagina's 308, 309 en 310 · gelezen 2026-08-04
    Opzet
    Meta-regressie, geen eigen experiment. De gemiddelden zijn gemodelleerd met natuurlijke kubische splines op de logaritme van het aantal herhalingen, de spreiding met een lineair model op de logaritme van de standaardafwijkingen; beide daarna teruggerekend naar hele herhalingen. Uit 77 van de onderzoeken zijn de getallen uit grafieken afgelezen met WebPlotDigitizer. De auteurs schrijven er zelf bij dat hun zoektocht grondig was maar niet per se systematisch of uitputtend.
    Onderzocht bij
    269 onderzoeken, 452 groepen, 952 tests bij 7 289 mensen; in de analyses zelf 425 groepen, 898 tests en 6 970 mensen. Van de groepen was 66 procent mannen, 97 procent gezond, 92 procent jonger dan 59 jaar (mediane groepsgemiddelde 23 jaar) en 60 procent krachtgetraind. Mediane groepsgrootte 13, van 3 tot 112. Oudste onderzoek uit 1961, jongste uit 2023. Meest geteste oefeningen: bench press 189 (42 procent), leg press 65 (14), squat 52 (12), knee extension 48 (11) en chest press 42 (9).
    Vergeleken met
    De tabel die al jaren in een veelgebruikt leerboek staat en die per percentage een enkel aantal herhalingen noemt, zonder spreiding. Daarnaast onderling: mannen tegen vrouwen, jong tegen oud, wel of niet getraind, en vijf oefeningen tegen elkaar.
    Dosering en duur
    Niet van toepassing als toediening. De belasting is hier de blootstelling: 15 tot 95 procent van het eigen maximum, in stappen van 5 procent. Alleen gewone herhalingen met een heffende en een zakkende fase; de 1,3 procent tests met alleen een zakkende fase en de 1,1 procent met alleen een heffende zijn eruit gelaten.
    Wat er is gemeten
    Het gemiddelde aantal herhalingen dat iemand haalt bij een gegeven percentage van zijn eigen maximum, plus de standaardafwijking daarvan tussen mensen. Beide met een 95 procent-betrouwbaarheidsinterval, in een tabel van 15 tot 95 procent in stappen van 5.
    Wat er is gevonden
    Van alle onderzochte factoren deed er precies een er echt toe, en dat was de oefening. Geslacht, leeftijd en trainingsstatus deden dat niet, dus daar zijn geen aparte tabellen voor gemaakt. Bench press en leg press liepen wel uiteen en kregen er allebei een. Bij 90 procent van het maximum haalt de gemiddelde mens 4,11 herhalingen op de bench press en 8,69 op de leg press; bij 80 procent 8,82 tegen 13,05. De algemene tabel geeft 4,94 herhalingen bij 90 procent, 9,75 bij 80 en 14,80 bij 70. Het leerboek zegt op diezelfde drie punten 4, 8 en 11, dus het onderschat het aantal herhalingen, en het meest bij lichte lasten. De spreiding tussen mensen groeit als de last lichter wordt: standaardafwijking 2,51 herhalingen bij 80 procent en 4,37 bij 60.
    Draagt in dit stuk
    De drie tabellen waarmee deze rekenhulp de oefening meerekent, en het gegeven dat de oefening de enige factor is die daarvoor genoeg uitmaakt. Draagt ook de band tussen twee mensen die dezelfde set doen, want de standaardafwijking per belasting staat erin.
    Draagt uitdrukkelijk niet
    Dit is geen schattingsformule voor een maximum, en de auteurs presenteren hem ook niet zo. Zij gaan van belasting naar herhalingen; wij draaien dat om en delen het gewicht door het gevonden percentage. Die omkering is onze rekenstap en niet hun bewering, en dat geldt ook voor de band die wij uit hun standaardafwijking halen. Verder: de tabel van de leg press heeft brede intervallen, bij 95 procent loopt hij van 1,67 tot 29,75 herhalingen, dus daar is het punt in het midden zwak onderbouwd. Voor andere oefeningen dan bench press en leg press is er geen eigen tabel, alleen de algemene. Boven 95 en onder 15 procent is er niets. Het onderzoek zegt niets over een voedingsstof, niets over een supplement en niets over wat iemand zou moeten eten of doen.
    Belangen en financiering
    Twee van de vier auteurs waren eerder in dienst bij een fabrikant van krachttrainingsapparatuur, en dat staat in het artikel zelf vermeld. De andere twee melden geen belangen. Open access betaald door een universiteitsconsortium; de tweede auteur had een promotiebeurs van de Australische overheid.

    https://doi.org/10.1007/s40279-023-01937-7

  2. 2Jimenez A, De Paz JA. Application of the 1RM estimation formulas from the RM in bench press in a group of physically active middle-aged women. Journal of Human Sport and Exercise 2008;III(1):10-22. Universidad de Alicante. Open access.gecontroleerde meting met trainingsinterventie · volledige tekst gelezen, PDF opgehaald via redalyc.org en met pdftotext uitgelezen · gelezen 2026-08-04
    Opzet
    Zes gewenningssessies om de techniek te leren, daarna twee meetsessies waarvan de eerste opnieuw gewenning was en de tweede telde. Het maximum en het aantal herhalingen zijn gemeten volgens het ASEP-protocol, met een snelheidsopnemer erbij. Daarna acht weken training in drie groepen, klassiek lineair, niet-lineair en een controlegroep, drie sessies per week, en dezelfde meting nog een keer.
    Onderzocht bij
    28 lichamelijk actieve vrouwen van 30 tot 40 jaar, gemiddeld 35,32 jaar met een standaardafwijking van 3,04, geworven bij een sportcentrum in Madrid. Alle 28 al minstens een half jaar actief in een programma van dat centrum, en geen van de 28 met eerdere ervaring in krachttraining.
    Vergeleken met
    Het gemeten maximum op de bench press tegenover de schatting uit de formules van Mayhew c.s. (1992) en Wathen (1994), voor en na de acht weken.
    Dosering en duur
    Niet van toepassing. Dit is geen toedieningsonderzoek.
    Wat er is gemeten
    Het procentuele verschil tussen het geschatte en het gemeten maximum op de bench press, plus de gemiddelden en standaardafwijkingen per groep, gerapporteerd in ponden.
    Wat er is gevonden
    Tabel 1 van dit artikel drukt de zeven formules voluit af die LeSuer c.s. in 1997 tegen elkaar hebben gezet: Brzycki, Epley, Lander, Lombardi, Mayhew c.s., O'Conner c.s. en Wathen. Dat is de tabel waarmee deze rekenhulp rekent. De eigen meting: bij de eerste test lag het echte maximum onder allebei de schattingen, 6,43 procent onder die van Mayhew en 14,19 procent onder die van Wathen. Na acht weken training was dat 7,93 en 16,98 procent. Beide formules schatten dus te hoog, en na training nog iets meer.
    Draagt in dit stuk
    De exacte vorm van zeven van de acht klassieke formules op deze pagina, en de richting van de fout: te hoog, niet te laag.
    Draagt uitdrukkelijk niet
    Alleen bench press, alleen 28 vrouwen van middelbare leeftijd zonder krachttrainingervaring, en van de zeven formules zijn er maar twee tegen een gemeten maximum gehouden. De percentages hierboven gelden dus voor die twee en voor deze groep, en niet voor de andere vijf. De tabel met de zeven formules is bovendien overgenomen uit LeSuer c.s. (1997), en dat artikel hebben wij niet zelf gelezen; het gaf op 2026-08-04 HTTP 403. Dit artikel drukt de exponent van Lombardi af als 0,10 terwijl bron 3 er 0,13 van maakt, en geen van beide is het origineel uit 1989. Het onderzoek zegt niets over een voedingsstof en niets over een supplement.
    Belangen en financiering
    Universitair onderzoek, uitgevoerd aan de Europese Universiteit van Madrid en de Universiteit van Leon, met de metingen in een sportgeneeskundig centrum van de regio Madrid. Geen commerciele financier vermeld.

    https://www.redalyc.org/pdf/3010/301023501002.pdf

  3. 3Mayhew JL, Johnson BD, LaMonte MJ, Lauber D, Kemmler W. Accuracy of prediction equations for determining one repetition maximum bench press in women before and after resistance training. Journal of Strength and Conditioning Research 2008;22(5):1570-1577. DOI 10.1519/JSC.0b013e31817b02ad.gecontroleerde meting met trainingsinterventie · volledige tekst gelezen in een PDF-kopie op unm.edu en met pdftotext uitgelezen; de DOI zelf gaf op 2026-08-04 HTTP 403 · gelezen 2026-08-04
    Opzet
    Van elke deelnemer is het maximum op de bench press gemeten en daarnaast het aantal herhalingen dat zij haalde met een willekeurig toegewezen percentage tussen 60 en 90 procent van dat maximum. Daarna twaalf weken oplopende krachttraining, en dezelfde meting nog een keer met exact hetzelfde percentage als daarvoor. Op die metingen zijn veertien gepubliceerde formules losgelaten. De betrouwbaarheid van de herhalingstest was eerder op 0,97 vastgesteld.
    Onderzocht bij
    103 studentes uit een verplicht vak. Het gemiddelde toegewezen percentage was 75,6 met een standaardafwijking van 10,3, en dat bleef na de training hetzelfde. Het gemeten maximum steeg van 28,7 kg naar 36,4 kg. Voor de deelanalyse op tien herhalingen of minder bleven er 46 over voor de training en 45 erna.
    Vergeleken met
    Veertien formules tegenover het gemeten maximum, eerst over het hele bereik en daarna nog eens alleen voor de deelnemers die tien herhalingen of minder haalden.
    Dosering en duur
    Niet van toepassing. Dit is geen toedieningsonderzoek.
    Wat er is gemeten
    Het verschil in kilo tussen geschat en gemeten maximum, datzelfde verschil als percentage, en de mate van overeenstemming tussen beide.
    Wat er is gevonden
    Tabel 2 drukt de veertien formules voluit af, en dat is de tweede plek waar wij ze hebben zien staan. Belangrijker is wat tabel 3 naast tabel 4 laat zien. Over het hele bereik zat Brzycki er 26,7 procent naast met een spreiding van 101,7 procentpunt, en Lander 22,9 procent met 70,7. Beperk je dezelfde formules tot tien herhalingen of minder, dan wordt Brzycki min 2,0 procent met 10,5 en Lander min 1,1 met 10,5. Dezelfde formule, dezelfde vrouwen, ander bereik. De auteurs schrijven er zelf bij dat de meeste van deze formules geen steekproef of afleiding vermelden, en dat er maar vijf van de veertien aangeven vrouwen in hun materiaal te hebben gehad.
    Draagt in dit stuk
    Dat de twee formules met een lineair aflopende noemer bruikbaar zijn tot ongeveer tien herhalingen en daarboven uiteenvallen. Draagt ook de tweede afdruk van de formuleset, en de exponent 0,13 voor Lombardi.
    Draagt uitdrukkelijk niet
    Alleen vrouwen, alleen bench press, en alleen dit ene trainingsprogramma van twaalf weken. Het zegt niets over andere oefeningen, en dus ook niets over de vraag of dezelfde formules op een squat of een leg press hetzelfde doen. De gemeten maxima liggen laag, van gemiddeld 28,7 naar 36,4 kg, dus over zware lasten zegt deze meting weinig. Het onderzoek zegt niets over een voedingsstof en niets over een supplement.
    Belangen en financiering
    Universitair onderzoek aan vier Amerikaanse instellingen en twee instituten van de Universiteit van Erlangen. Gepubliceerd in het tijdschrift van de Amerikaanse kracht- en conditievereniging. In de door ons gelezen tekst staat geen commerciele financier vermeld.

    https://www.unm.edu/~rrobergs/478PredictionAccuracy.pdf

  4. 4Richens B, Cleather DJ. The relationship between the number of repetitions performed at given intensities is different in endurance and strength trained athletes. Biology of Sport 2014;31(2):157-161. DOI 10.5604/20831862.1099047. Open access.vergelijkende meting tussen twee groepen sporters · volledige tekst gelezen, PDF opgehaald bij termedia.pl en met pdftotext uitgelezen · gelezen 2026-08-04
    Opzet
    Van iedere deelnemer is eerst het maximum op de leg press bepaald. Daarna deed elk van hen op 90, 80 en 70 procent van dat eigen maximum zoveel herhalingen als er in zaten, na opwarmsets op dertig, twintig en tien procent onder de te gebruiken belasting, met twee minuten rust ertussen. Verschillen getoetst met een variantieanalyse voor herhaalde metingen.
    Onderzocht bij
    Acht gewichtheffers en acht duurlopers, van de School of Sport, Health and Applied Sciences van St Mary's University in Twickenham. De gewichtheffers hadden gemiddeld 4,1 jaar krachttrainingervaring met een standaardafwijking van 1,0 en een maximum van 335,6 kg (SD 48,6). De lopers hadden nul jaar ervaring en een maximum van 188,4 kg (SD 13,8).
    Vergeleken met
    De twee groepen tegen elkaar, en beide tegen de tabellen die in leerboeken staan voor het aantal herhalingen per percentage.
    Dosering en duur
    Niet van toepassing. Dit is geen toedieningsonderzoek.
    Wat er is gemeten
    Het aantal herhalingen dat elke groep haalde op 90, 80 en 70 procent van het eigen maximum.
    Wat er is gevonden
    Op 70 procent van hun eigen maximum haalden de lopers 39,9 herhalingen met een standaardafwijking van 17,6, en de gewichtheffers 17,9 met 2,8. Op 80 procent was dat 19,8 (SD 6,4) tegen 11,8 (SD 2,7). Allebei die verschillen zijn significant. Op 90 procent was het 10,8 (SD 3,9) tegen 7,0 (SD 2,1) en dat verschil was het niet. Het verschil tussen de twee groepen wordt dus groter naarmate de last lichter is. De auteurs zetten hun uitkomsten in een figuur naast de gangbare tabellen en schrijven dat die tabellen voor deze sporters weinig voorspellende waarde hadden.
    Draagt in dit stuk
    Dat twee mensen op precies hetzelfde aandeel van hun eigen maximum meer dan het dubbele aantal herhalingen kunnen halen. Een aantal herhalingen is dus een zwak handvat op een maximum, ook als je er verder niets fout doet.
    Draagt uitdrukkelijk niet
    Zestien mensen, een oefening, en twee met opzet uiterste groepen. Dit is geen schatting van hoe groot het verschil is in de algemene bevolking. De auteurs noemen zelf een tweede verklaring die zij niet kunnen uitsluiten: de lopers waren niet gewend aan zware lasten en hebben hun maximum daardoor mogelijk te laag neergezet, wat elk percentage daarvan te licht maakt. Het onderzoek toetst geen enkele schattingsformule en zegt niets over een voedingsstof of een supplement.
    Belangen en financiering
    Universitair onderzoek aan St Mary's University in het Verenigd Koninkrijk, gepubliceerd in een Pools tijdschrift dat open access is. Geen financier vermeld.

    https://doi.org/10.5604/20831862.1099047

  5. 5Marzagao T. A Weight-Dependent 1RM Prediction Equation Optimized on 303,494 Near-Failure Sets Across 388 Exercises. Preprint, arXiv 2603.17495, ook geplaatst op SportRxiv als preprint 768. Niet beoordeeld door vakgenoten.preprint, niet beoordeeld door vakgenoten · volledige tekst gelezen, PDF van 2,1 MB opgehaald bij arXiv en met pdftotext uitgelezen · gelezen 2026-08-04
    Opzet
    Geen experiment maar een analyse van trainingslogboeken uit een commerciele app, over een steekproef van 5 procent van de gebruikers. De coefficienten zijn gezocht met een rasterzoektocht in twee stappen. Het criterium is niet de afwijking tegenover een gemeten maximum, want dat staat niet in de data, maar interne consistentie: de mate waarin verschillende combinaties van gewicht en herhalingen van dezelfde persoon, dezelfde oefening en hetzelfde tijdvenster op hetzelfde geschatte maximum uitkomen. Kruisvalidatie in vijf delen op gebruikersniveau.
    Onderzocht bij
    303 494 sets die vlak bij het punt lagen waarop het niet meer lukt, van 14 966 gebruikers, over 388 oefeningen en 16 spiergroepen. Het ruwe uittreksel was groter: 37 736 594 sets van 65 757 gebruikers over 505 oefeningen. Het gemiddelde gewicht per oefening liep van 7,9 kg tot 80,3 kg, met een gemiddelde over alle oefeningen van 35,8 kg.
    Vergeleken met
    De vier klassieke formules die het vaakst in overzichtsartikelen staan: Brzycki, Wathen, Epley en Mayhew c.s.
    Dosering en duur
    Niet van toepassing. Dit is geen toedieningsonderzoek.
    Wat er is gemeten
    De afname van de standaardafwijking van de logaritme van het geschatte maximum binnen een groepje sets van dezelfde persoon, oefening en periode. Dus consistentie, en uitdrukkelijk niet nauwkeurigheid.
    Wat er is gevonden
    De voorgestelde formule laat de omrekenfactor met het gewicht meelopen in plaats van hem vast te zetten, en komt uit op 1RM = w x (1 + (r - 1)^0,85 / (-2,55 + 4,58 x ln w)), met het gewicht in kilo. De consistentie ging er 17 tot 22 procent op vooruit tegenover alle vier de klassieke formules, en dat gold voor alle 183 oefeningen met genoeg data, zonder uitzondering. Per categorie: 19,3 procent beter dan Brzycki, 19,4 dan Wathen, 19,7 dan Epley en 23,9 dan Mayhew. Bij isolatieoefeningen was de winst groter dan bij samengestelde. De verschillen tussen de formules zitten vooral bij lichte gewichten en veel herhalingen: bij 12 kg en 15 herhalingen komen de klassieke formules uit rond 19 tot 20 kg en deze op ongeveer 25. Bij een bench press van 100 kg op 5 herhalingen schelen ze minder dan 2 kg.
    Draagt in dit stuk
    Een schatting waarin het gewicht zelf meebepaalt hoeveel een herhaling waard is, en de waarneming dat de klassieke formules het onderling het meest oneens zijn bij lichte gewichten en veel herhalingen. Draagt daarnaast, uit het literatuuroverzicht in deel 1, de herkomst van drie formules: dat die van Epley niet uit onderzoek komt maar uit een gewichtentabel in een trainingsboek van de University of Nebraska, dat die van Brzycki in een praktijkartikel voor gymdocenten verscheen zonder vermelde steekproef of methode, en dat die van Mayhew c.s. (1992) wel op een eigen steekproef rust: 435 studenten, 184 mannen en 251 vrouwen, op de bench press.
    Draagt uitdrukkelijk niet
    Dit is de zwakste bron in deze lijst en dat heeft drie redenen. Hij is niet beoordeeld door vakgenoten. Er staat geen enkel gemeten maximum in de data, dus er is niets nagerekend tegen de werkelijkheid: een formule kan volmaakt consistent zijn en consistent verkeerd, en dat verschil kan dit onderzoek niet zien. En de auteur staat in het artikel met een e-mailadres van het bedrijf waarvan de data komt. Daar komt bij dat een set alleen is aangemerkt als bedoeld tot het punt waarop het niet meer lukt, en niet is nagegaan of dat punt ook is gehaald; het artikel haalt zelf onderzoek aan waarin mensen een tot vijf herhalingen te vroeg stoppen. De coefficienten zijn geijkt op kilo's, en het artikel schrijft erbij dat je voor ponden het snijpunt moet verschuiven. En de drie herkomstverhalen hierboven staan in zijn literatuuroverzicht en niet in zijn eigen materiaal: de auteur heeft de gewichtentabel van Epley uit 1985 en het artikel van Brzycki uit 1993 zelf ook niet ingezien, of schrijft daar in elk geval niets over. Het is dus een tweedehands mededeling, net als bij ons.
    Belangen en financiering
    De auteur staat vermeld met een e-mailadres van Fitbod, Inc., het bedrijf waarvan de trainingslogboeken komen. Dat is de zwaarste belangenvermelding in deze lijst, en hij staat er open in.

    https://arxiv.org/abs/2603.17495